Verhaal,

Ik ben wijs, maar iedereen vindt mij zo naïef

0
Shares

In mijn hele leven is er zoveel gebeurd. Nu al. Maar toch durf ik te zeggen dat ik meer heb meegemaakt dan de gemiddelde volwassene. Ze zeggen altijd elk huisje heeft zijn kruisje. Maar mijn huisje heeft er zo’n tweehonderd. Al die kruisjes hebben mij gevormd. Ik ben wie ik vandaag ben door alles wat ik in het leven al heb meegemaakt. Is dat positief? Geen idee. Ik ben emotioneel heel sterk, maar wanneer er nog een kruisje bijkomt ben ik er ook vrij zeker van dat ik meteen instort. Ik ben wijs, maar iedereen vindt mij zo naïef. Niemand ziet hoeveel ik nadenk. Iedereen zegt dat ik te veel praat, te oppervlakkig ben. Maar ik denk zo veel na. Altijd. Mijn hoofd is nooit stil. Ik heb nooit geen gedachten. Ik denk altijd ergens aan. Vaak aan iets serieus.

Ik heb een depressie. Deze depressie is soms heel erg en zwaar. Ik kom dan dagenlang niet meer mijn bed uit en doe aan automutilatie. Soms merk ik amper dat de depressie er is. Ik weet dat hij er zit maar hij is zo ligt dat ik er niet heel de tijd aan hoef te denken. Het is een deel van mij. Geen rugzak die ik met mij mee draag. Het is meer een extra ledemaat. Het zal altijd aan mij vast zitten. Ik zal het nooit kwijtraken. Het is wel een heel bijzonder lichaamsdeel. Het zit op mijn schouders. Als een soort sjaal van huid, om mij heen gedrapeerd. Soms is het een flinterdun stuk huid. Het is een stuk vel, alsof ik verbrand ben in de zon en dit stuk oude huid los op me ligt. Alleen kan ik nooit vervellen en het van me aftrekken. Soms voelt de huid veel zwaarder. Het is dan alsof er extra vet in het stuk huid zit. Soms zit er zoveel vet in, ik heb dan een stuk obesitas op mijn schouders drukken. Het is zo zwaar dat ik niks meer kan doen dan in bed liggen. Als ik op zou staan zou ik het niet met me mee kunnen dragen. Het weegt te veel.

Vroeger dacht ik altijd dat ik het kwijt zou kunnen raken. Het stuk huid zou afvallen, zodra ik alles vergeet. Er gewoon niet meer aan denk. Maar hoezeer ik het stuk huid op mijn schouders ook negeer, het verdwijnt niet. Net zoals je neus. Je hersenen kiezen ervoor om het te negeren, maar eigenlijk kijk je er altijd tegenaan. Wanneer je in de spiegel kijkt, of eraan voelt, word je eraan herinnert dat het er zit. Later dacht ik dat door hard te werken en na veel therapie het steeds meer zou slinken en uiteindelijk volledig weg zou gaan. Maar therapie is geen chirurgie. Je kunt het niet zomaar verwijderen, zelfs niet met de hulp van een professional.

Ik heb een aantal andere rare zaken aan mijn lichaam. Zaken die alleen ik kan zien. Toch zit het er. Ik raak het nooit meer kwijt. Ik heb een grote brandwond. Het zit aan de linker kant van mijn romp. Het loopt van mijn heup helemaal door tot aan mijn oksel. Het gaat van het midden van mijn rug tot net voorbij mijn linkerborst. De grens van deze brandwond is donkerrood. Het is vers en soms begint het opnieuw te bloeden. Het centrum van de brandwond is volledig weggebrand. Het is zwartgeblakerd. Het is niet als verbrand vlees normaal is, zwart en krokant. Het is als verbrand papier, of houtskool. Het is licht, breekbaar en bladert af als je het aanraakt. Het is droog en waait weg als er wind langs zou komen. Ik probeer het weg te schrapen. Een verbrande rand van papier valt ervan af als je erlangs gaat, mijn brandwond blijft zitten. In mijn hoofd probeer ik het altijd letterlijk van me af te zetten. Ik duw het met beide handen van de rest van mijn lichaam weg. In realiteit blijft het zitten. Het rookt nog na.

Dit zijn hele permanente delen van mijn lichaam. Ik ben erachter gekomen dat het waarschijnlijk nooit helemaal zal genezen of weg zal gaan. Vroeger dacht ik van wel, soms wens ik dat ik die illusie nog steeds heb. Als motivatie. Nu ik weet dat het nooit helemaal weg gaat. Waarom zou ik nog mijn best doen? Er zijn andere vreemde delen aan mijn lichaam. Mijn vagina is heel wispelturig. Soms kan ik er niet vanaf blijven. Ik masturbeer dan elke dag, soms meerdere keren op eenzelfde dag. Ik kijk er porno bij en kom spectaculair klaar. Maar zodra het orgasme gekomen is voel ik me vies en schuldig. Ik voel me vreselijk goedkoop. En naakt en kwetsbaar. Opeens voelt het alsof iemand anders aan mijn lichaam heeft gezeten. Ik wil dan meteen gaan slapen en niks meer voelen. Zo ontzettend vies! Soms masturbeer ik dagenlang niet. Ik durf niet bij mijn vagina in de buurt te komen. Zelfs het woord vagina jaagt me angst aan. Ik vind het vervelend om af te vegen op de wc. Zelfs de stof van mijn onderbroek voelt akelig tegen dat stuk huid aan.

Seks is moeilijk. Ik blijf terugdenken aan toen. Ik ben heel erg verliefd op mijn partner. Ik houd van hem zoals ik van niemand anders zou kunnen houden. Hij is mijn ware liefde. Dit is een van de weinige dingen waar ik vrij zeker over ben. Ik vind hem aantrekkelijk en lief en geweldig. Hij kan mij opwinden. Hij kan me heel lief strelen. Ik kan hem willen. Samen die intense ervaring willen doormaken. Maar zodra het gebeurt denk ik weer aan toen. Aan de dwang. Aan het feit dat ik niet weg kon. Aan het verstijven en hem maar zijn gang laten gaan. Aan de gevoelloze staat waarin ik was. Aan hoe goedkoop en vies ik me voelde. En voor ik het weet denk ik er niet aan, ik ben er weer. Het gebeurt weer met me. Ik ben terug in die vreselijke momenten. Ik ben bang. Ik ben in paniek. Ik word verkracht. Ergens in me vind ik de kracht om tegen te stribbelen. Ik krabbel onder hem vandaan. Probeer hem weg te duwen. Dan zie ik mijn partner weer en begin te huilen. Het was niet echt. Ik was niet echt terug bij hem. Waarom had ik toen niet tegengestribbeld? Waarom was ik toen niet onder hem uit gegaan zoals ik nu deed? Ik begin te huilen.