Browsing Category

Verhaal

header_lemon_openapp
Verhaal,

Ik ben wijs, maar iedereen vindt mij zo naïef

In mijn hele leven is er zoveel gebeurd. Nu al. Maar toch durf ik te zeggen dat ik meer heb meegemaakt dan de gemiddelde volwassene. Ze zeggen altijd elk huisje heeft zijn kruisje. Maar mijn huisje heeft er zo’n tweehonderd. Al die kruisjes hebben mij gevormd. Ik ben wie ik vandaag ben door alles wat ik in het leven al heb meegemaakt. Is dat positief? Geen idee. Ik ben emotioneel heel sterk, maar wanneer er nog een kruisje bijkomt ben ik er ook vrij zeker van dat ik meteen instort. Ik ben wijs, maar iedereen vindt mij zo naïef. Niemand ziet hoeveel ik nadenk. Iedereen zegt dat ik te veel praat, te oppervlakkig ben. Maar ik denk zo veel na. Altijd. Mijn hoofd is nooit stil. Ik heb nooit geen gedachten. Ik denk altijd ergens aan. Vaak aan iets serieus.

Ik heb een depressie. Deze depressie is soms heel erg en zwaar. Ik kom dan dagenlang niet meer mijn bed uit en doe aan automutilatie. Soms merk ik amper dat de depressie er is. Ik weet dat hij er zit maar hij is zo ligt dat ik er niet heel de tijd aan hoef te denken. Het is een deel van mij. Geen rugzak die ik met mij mee draag. Het is meer een extra ledemaat. Het zal altijd aan mij vast zitten. Ik zal het nooit kwijtraken. Het is wel een heel bijzonder lichaamsdeel. Het zit op mijn schouders. Als een soort sjaal van huid, om mij heen gedrapeerd. Soms is het een flinterdun stuk huid. Het is een stuk vel, alsof ik verbrand ben in de zon en dit stuk oude huid los op me ligt. Alleen kan ik nooit vervellen en het van me aftrekken. Soms voelt de huid veel zwaarder. Het is dan alsof er extra vet in het stuk huid zit. Soms zit er zoveel vet in, ik heb dan een stuk obesitas op mijn schouders drukken. Het is zo zwaar dat ik niks meer kan doen dan in bed liggen. Als ik op zou staan zou ik het niet met me mee kunnen dragen. Het weegt te veel.

Vroeger dacht ik altijd dat ik het kwijt zou kunnen raken. Het stuk huid zou afvallen, zodra ik alles vergeet. Er gewoon niet meer aan denk. Maar hoezeer ik het stuk huid op mijn schouders ook negeer, het verdwijnt niet. Net zoals je neus. Je hersenen kiezen ervoor om het te negeren, maar eigenlijk kijk je er altijd tegenaan. Wanneer je in de spiegel kijkt, of eraan voelt, word je eraan herinnert dat het er zit. Later dacht ik dat door hard te werken en na veel therapie het steeds meer zou slinken en uiteindelijk volledig weg zou gaan. Maar therapie is geen chirurgie. Je kunt het niet zomaar verwijderen, zelfs niet met de hulp van een professional.

Ik heb een aantal andere rare zaken aan mijn lichaam. Zaken die alleen ik kan zien. Toch zit het er. Ik raak het nooit meer kwijt. Ik heb een grote brandwond. Het zit aan de linker kant van mijn romp. Het loopt van mijn heup helemaal door tot aan mijn oksel. Het gaat van het midden van mijn rug tot net voorbij mijn linkerborst. De grens van deze brandwond is donkerrood. Het is vers en soms begint het opnieuw te bloeden. Het centrum van de brandwond is volledig weggebrand. Het is zwartgeblakerd. Het is niet als verbrand vlees normaal is, zwart en krokant. Het is als verbrand papier, of houtskool. Het is licht, breekbaar en bladert af als je het aanraakt. Het is droog en waait weg als er wind langs zou komen. Ik probeer het weg te schrapen. Een verbrande rand van papier valt ervan af als je erlangs gaat, mijn brandwond blijft zitten. In mijn hoofd probeer ik het altijd letterlijk van me af te zetten. Ik duw het met beide handen van de rest van mijn lichaam weg. In realiteit blijft het zitten. Het rookt nog na.

Dit zijn hele permanente delen van mijn lichaam. Ik ben erachter gekomen dat het waarschijnlijk nooit helemaal zal genezen of weg zal gaan. Vroeger dacht ik van wel, soms wens ik dat ik die illusie nog steeds heb. Als motivatie. Nu ik weet dat het nooit helemaal weg gaat. Waarom zou ik nog mijn best doen? Er zijn andere vreemde delen aan mijn lichaam. Mijn vagina is heel wispelturig. Soms kan ik er niet vanaf blijven. Ik masturbeer dan elke dag, soms meerdere keren op eenzelfde dag. Ik kijk er porno bij en kom spectaculair klaar. Maar zodra het orgasme gekomen is voel ik me vies en schuldig. Ik voel me vreselijk goedkoop. En naakt en kwetsbaar. Opeens voelt het alsof iemand anders aan mijn lichaam heeft gezeten. Ik wil dan meteen gaan slapen en niks meer voelen. Zo ontzettend vies! Soms masturbeer ik dagenlang niet. Ik durf niet bij mijn vagina in de buurt te komen. Zelfs het woord vagina jaagt me angst aan. Ik vind het vervelend om af te vegen op de wc. Zelfs de stof van mijn onderbroek voelt akelig tegen dat stuk huid aan.

Seks is moeilijk. Ik blijf terugdenken aan toen. Ik ben heel erg verliefd op mijn partner. Ik houd van hem zoals ik van niemand anders zou kunnen houden. Hij is mijn ware liefde. Dit is een van de weinige dingen waar ik vrij zeker over ben. Ik vind hem aantrekkelijk en lief en geweldig. Hij kan mij opwinden. Hij kan me heel lief strelen. Ik kan hem willen. Samen die intense ervaring willen doormaken. Maar zodra het gebeurt denk ik weer aan toen. Aan de dwang. Aan het feit dat ik niet weg kon. Aan het verstijven en hem maar zijn gang laten gaan. Aan de gevoelloze staat waarin ik was. Aan hoe goedkoop en vies ik me voelde. En voor ik het weet denk ik er niet aan, ik ben er weer. Het gebeurt weer met me. Ik ben terug in die vreselijke momenten. Ik ben bang. Ik ben in paniek. Ik word verkracht. Ergens in me vind ik de kracht om tegen te stribbelen. Ik krabbel onder hem vandaan. Probeer hem weg te duwen. Dan zie ik mijn partner weer en begin te huilen. Het was niet echt. Ik was niet echt terug bij hem. Waarom had ik toen niet tegengestribbeld? Waarom was ik toen niet onder hem uit gegaan zoals ik nu deed? Ik begin te huilen.

header_avocado_openapp
Verhaal,

Mijn situatie besprekbaar maken bij mijn leidinggevende was ook al heel hoge drempel voor mij

Iemand die vultime werkt brengt 40 uren per week met zijn collega’s per dag door. Wij beseffen meestal niet dat we vaak meer tijd door brengen met onze collega’s dan onze familieleden zoals onze ouders, zussen en/of broers. Zo veel tijd doorbrengen met collega’s is pas leuk als iemand in een veilige werkplek met plezier werkt.

Maar Wat als je in een onveilige werkomgeving werkt waar je seksueel intimideerd wordt? Ik ga je zo meteen mijn verhaal vertellen. Hoe ik jarenlang seksueel intimideerd werd, hoe dat voelt, hoe moeilijk het is en hoe ziek ik van werd.

Seksuele intimidatie begon met “onschuldige” grapjes en vervelende opmerkingen. Ik wist niet wat bijpassend zou zijn op het werk en wat niet. Soms vroeg ik me af of dat aan mij lag. Was ik degene die daar last van had? Mocht de dader dan zomaar opmerkingen/grapjes maken over mijn lichaam? Of mij ongewenst aanraken, knijpen of zoenen? Uiteindelijk wist ik dat het niet aan mij lag.

Ik was elke ochtend met angstgevoel naar mijn werk en helemaal gestresst terug naar huis. Ik lag in mijn bed met schuldgevoel naast mijn echtgenoot. Ik voelde me zo schuldig omdat ik het niet kon laten ophouden.

Tussendoor heb ik echt van alles geprobeerd om de dader te laten stoppen. Ik heb tegen hem verteld hoe vervelend ik het vond en dat ik niet gediend heb. Hij wou niet stoppen. Echter genot hij van zijn handelingen en het was voor hem een manier om zijn macht te tonen en gebruiken. Ik voelde me echt hopeloos en machtloos.

Mijn situatie besprekbaar maken bij mijn leidinggevende was ook al heel hoge drempel voor mij. In eerste instantie durfte ik niet te vertellen wat er aan de hand was. Daarom vroeg ik aan hem of ik naar een andere ploeg mocht gaan werken. Hij was alert en wou heel graag weten waarom ik naar andere ploeg wou. Hij voelde dat er iets niet klopte en bleef door te vragen om achter te komen wat er aan de hand was. Na een lang gesprek vertelde ik hem waar ik tegen aan liep.

Hij gaf meteen aan dat hij geen ervaring hiermee had als een leidinggevende en dat hij volgende dag hierop terug zou komen. Volgende dag gingen we verder over mijn situatie te praten. Ik wou niet dat alle collega’s hiervan iets wisten omdat ik me schaamde en was ook bang om een officiele klacht te indienen. Toen adviseerde mijn leidinggevende mij dat ik met vertrouwenspersoon kon praten. Hij heeft voor mij een afspraak gemaakt bij vertrouwenspersoon en ik vertelde haar ook waar het over ging.

Ik wou alleen maar zorgen dat de dader ophield met zijn ongewenst gedrag. Daarom wou ik met hem nog een keer spreken (met vertrouwenspersoon erbij) en nog eens aankaarten dat ik graag wou dat hij met zijn ongewenste gedragen ophield. Ik dacht dat de oplossing zo makkelijk zou zijn. Na een gesprek als volwassene mensen komen we uit, dacht ik. Maar hij ontkende alles. Hij zei dat ik hem zwart wilde maken en dat hij niet op allochtonen viel. Hij wou niet verder met dat gesprek en liep kamer uit. Het was een grote teleurstelling geweest en ik was kwaad! Toen heb ik besloten een officiele klacht in te dienen bij PZ.

Mijn alle klachten moest ik kunnen bewijzen. Ik was bang om niet te geloofd te worden.  Mijn werkgever heeft een onderzoekbureau ingeschakeld en bijna iedereen bij onze afdeling werd uitgenodigd voor een gesprek. Er waren eerlijke mensen die vertellen wat ze al gezien en gemerkt hadden op werkvloer.

Er waren ook mensen die al heel veel gezien hadden maar hierover niks wilden vertellen. Er waren mensen die eigenlijk niet gezien en/of gehoord hebben maar mij ook niet (wilden) geloven. Mensen waren zelf bang om hun baan te verliezen als ze vertellen wat ze wisten.

Ik kon niet alles bewijzen maar dankzij bepaalde collega’s die wat gezien hebben en durven te vertellen, kon ik een enkele klachten van mijn wel bewijzen.

Dader werd toch niet ontslagen maar wel verplaats naar een andere afdeling. Mijn werkgever wilde hem graag nog houden als werknemer en vond dat de dader heel goed zijn werk deed. Dader moest een soort gedragstherapie volgen en hij mocht gewoon blijven werken. Dus mijn werkgever bod meer kans aan dader en wilde niet zien hoe het met mij ging na hun beslissing.

Ik kwam de dader regelmatig tegen op de andere afdeling of in de kantine. Hij zat vaak in de kantine heel dichtbij mij en lachte zo hard om mij te irriteren. Er waren best veel mensen die in zijn verhaal geloven en denken dat ik hem zwaart maakte met de leugens. Ik had geheimhoudingsverplicht en wou ook niet zo graag hierover nog spreken op het werk.

Seksuele intimidatie was gestopt maar ik werd gepest door mensen in dader geloven. Zelfs een van de afdelingchef, een van de beste collega van dader peste mij. Ze maakten allemaal mijn werkdag zo zuur. Ik wilde daar niet stoppen met werken. Het was in mijn ogen vluchten en een groot verlies. Deze attitude van mij was een grote vergissing. Na een tijd was draaglasten zo meer dan mijn draagkracht. Ik ontwikkelde angstklachten en raakte zwaar depressief. Uiteindelijk raakte ik mijn baan ook kwijt omdat ik heel erg ziek van werksituatie werd.

Wat ik nog steeds heel raar vind, is dat mijn werkgever een training voor dader geregeld heeft maar geen enkele aandacht besteed hoe met de slachtoffer is gegaan na al die slechte gebeurtenissen.

Voor diegene die mijn verhaal gelezen heeft en wil weten hoe het afgelopen is met mij:

Het gaat nu goed met mij. Ik heb heel veel geleerd van wat er allemaal gebeurd is. Ik werk niet meer in een productiebedrijf als meewerkende voorvrouw. Tegenwoordig volg ik een HBO-opleiding en ben van plan in de toekomst mensen te helpen.

 

header_cloud_openapp
Verhaal,

Bij mijn opname leerde ik om gepieker om te zetten in positieve gedachten

Bart Robbers, geboren in 1958 in Oss, had een fijne jeugd tot de middelbare school. “Ik kwam ineens in een onbekende omgeving, en had ook geen idee hoe ik moest leren.  Ik verzoop daar gewoon. Ook had ik weinig aansluiting met mijn leeftijdsgenoten. Daardoor strandde ik dat eerste jaar en koos toen voor een mavo/havo; daar haalde ik in één keer de havo. Het was daar ook minder massaal. Op het vwo kreeg ik echter opnieuw grote aanpassingsproblemen en redde het niet, al haalde ik later alsnog mijn vwo-diploma.”

Van 1 naar 87

“Mijn ziekte begon rond mijn vijftiende. Op een avond belde ik met vrienden uit nieuwsgierigheid een 06-nummer (toen net in opkomst). Het sprak me erg aan, omdat je niemand hoefde aan te kijken; ik had namelijk veel moeite met contact maken. Steeds vaker belde ik zo’n nummer, tot mijn ouders een telefoonrekening van duizend gulden kregen. Van mijn vijftiende tot mijn veertigste vormde die verslaving (later ook aan internet) de rode draad. Doordat het veel geld kostte, kwam ik in de schuldhulpverlening. Gesprekken met een psycholoog stopten steeds na een paar keer; ik vond dat ik het alleen moest kunnen.

Toen ik in de periode 1988-2008 werkte als boekhouder, kwam die verslaving steeds vaker terug. Ook had ik allerlei dwanghandelingen: als ik factuurnummer 87 moest opzoeken, begon ik te tellen bij 1. En doordat het sociaal gezien niet lekker liep met collega’s, durfde ik ook niet aan te geven als het niet goed ging. Zo liep ik steeds vast. In die periode (eind 2008) zat ik alleen nog maar te internetten en betaalde ik mijn huur niet meer. Pas toen mijn huurbaas dreigde me op straat te zetten, besefte ik dat ik echt hulp nodig had. Als eerste in Nederland ging ik voor mijn internetverslaving in ambulante behandeling bij Novadic-Kentron. Een therapeut vermoedde dat er meer speelde dan en liet me opnemen voor een diagnose. Het bleek dat mijn internetverslaving vooral voortkwam uit eenzaamheid. Ik had altijd veel moeite om aansluiting te vinden bij anderen. Uiteindelijk kreeg ik de diagnose ‘syndroom van Asperger’ (een vorm van autisme).

Als een vis in het water

“In mijn tijd als boekhouder zat ik een keer in de kas en werd ik op staande voet ontslagen. Ik kreeg een taakstraf bij Stichting Info-Meer, waar ik in april 2009 begon met het ontsluiten van het folderbestand. Ik voelde me er erg op mijn gemak: ik kon mijn verhaal kwijt zonder gek gevonden te worden. Ook ging ik herstelcursussen volgen. Mijn herstel ging sindsdien in een stijgende lijn. Wel vond ik de overgang van Info-Meer naar Centrum FAMEUS in 2015 lastig. Ik dacht zelfs aan stoppen, maar mijn begeleider opperde om het gewoon een paar maanden te proberen. Sindsdien heb ik nooit meer gedacht aan stoppen. FAMEUS is een veilige, vertrouwde omgeving waar ik me als een vis in het water voel. De cursussen en opleidingen zijn veel professioneler en gestructureerder; ook leerde ik hier om proactiever te zijn door zelf ideeën te opperen. Eerst riep ik dat ik hier mijn pensioen zou halen, maar nu kijk ik verder. Ik volg nu een opleiding ervaringsdeskundige in de zorg en ben co-trainer bij Herstellen doe je zelf en WRAP-facilitator – terwijl ik altijd riep dat ik geen opleiding ging doen en geen trainer wilde worden. Het kan verkeren!

Het lotgenotencontact bij Info-Meer en FAMEUS hielp erg bij mijn herstel, vooral door de herkenning en erkenning. Je ontdekt dat je niet gek bent en elkaar kunt ondersteunen. Ook probeer ik via vragen mensen zelf de oplossing te laten vinden; dat is voor henzelf prettiger. Als iemand ervaringsdeskundige wil worden, vraag ik hoe hij dat wil gaan doen; zo kan hij zelf ontdekken of iets haalbaar is. Soms adviseer ik om te beginnen met een cursus als ‘Wat is herstel?’ of gastlessen te gaan geven. Zo zijn er bij FAMEUS best veel mogelijkheden.

Over een paar jaar wil ik graag als ervaringsdeskundige werken in een team, bij voorkeur met jongeren met autisme; ik wil nog ontdekken of ik dat in groepen of individueel wil doen. Ook wil ik WRAP-facilitator blijven, en welllicht zélf facilitators opleiden.

Verder leef ik vooral bij de dag. Ik prijs me gelukkig dat ik heel optimistisch ben; daardoor zal ik niet snel in een depressie raken. Vroeger piekerde ik veel, maar tijdens mijn opname leerde ik dat om te zetten in positieve gedachten. Ik denk ook niet in problemen, maar in oplossingen. Behalve als iemand met een depressie zijn verhaal wil doen; dan kun je beter gewoon luisteren en present zijn. Bij de inloop gaan mensen die eerst nog vol zaten met hun ervaringen, vaak toch met een glimlach weer naar huis. Gewoon luisteren zonder oordeel geeft voldoening.”

 

header_salmon_openapp
Verhaal,

Ik heb zelf ervaren hoe flinterdun de lijn tussen ziek en gezond is

Jos van Zaanen (praktijkopleider tot verpleegkundig specialist bij GGz Breburg) ondervond maar liefst drie keer in zijn leven hoe flinterdun de lijn tussen ziek en gezond is. “Je bent gezegend als je aan de ene kant van de lijn staat, maar er hoeft maar íets te gebeuren en je staat aan de andere kant.”

Briefje in de portemonnee

Tijdens zijn opleiding hbo-v (1983-1987) was Jos vier jaar lang gokverslaafd, met forse schulden en veel drank. “Ik leidde een dubbelleven, tot ik besefte ik dat ik hulp nodig had. Op advies van een therapeut schreef ik op een briefje welke schade mijn gokgedrag aanrichtte. Als ik wilde gokken, las ik dat briefje en zocht ik een andere omgeving op.” Zo leerde hij nieuwe gedragspatronen aan. Bij verslaving is volgens Jos sprake van een ‘addictive personality’, waarbij je je steeds verliest in iets. Om dat te overwinnen, moet je opnieuw beginnen en oude relaties verbreken. Inmiddels heeft Jos al jaren een goede baan en een goed gezin. Vanwege zijn verslavingsgevoeligheid legt hij zichzelf beperkingen op (zoals niet drinken) en maakt hij met zijn vrouw concrete afspraken. Veel baat heeft hij van een zelfhulpgroep van de AA (Anonieme Alcoholisten).

Naast zijn verslaving kreeg Jos 23 jaar geleden plots gezichtsverlamming (Bellse paralyse). Hij kon geen licht of geluid meer verdragen en kon pas na maanden weer werken. Doordat zijn gezichtszenuwen niet meer goed werken, morst hij vaak en zakt zijn gezicht links in als hij moe is. “Maar ik ben er goed van afgekomen en heb veel steun van mijn vrouw.”

Voodoopoppetje

Het laatste incident was toen hij drie jaar terug bij een reis naar Afrika ongemerkt dysenterie opliep. Die joeg de koorts op en ontregelde zijn diabetes; dat leidde tot een kanjer van een delier. “Op een nacht raakte ik volledig in de war; zo dacht ik dat een naaste me met een voodoopoppetje bestuurde. Ik moest naar het ziekenhuis en lag acht uur verward in een busje. Ik had het ontzettend koud en hield superalert mijn familieleden in de gaten, want ik dacht dat zij steeds het raampje opendeden. Van alle kanten voelde ik het gevaar op me afkomen en wilde ik controle houden. Maar vooral was ik heel angstig. De verwardheid raakte na behandeling in het ziekenhuis al snel op de achtergrond. Terug in Nederland werd echter alleen mijn bloed onderzocht. De symptomen verdwenen, maar de onderliggende oorzaak (de dysenterie) werd niet goed aangepakt. Snel kreeg ik weer hoge koorts en werd ik opnieuw angstig en verward. Uiteindelijk onderzocht mijn huisarts me verder: na twee tabletten antibiotica knapte ik weer snel op. Wel meed ik familiebezoek; dat zou alles weer triggeren. Ik heb me nooit gerealiseerd dat die angst ook na je herstel nog zo diep doorwerkt en ineens weer kan opflakkeren. Ik heb nu zelf ervaren hoe vreemd en overtuigend een psychose (delier) is. Zelf werk ik veel met psychotische mensen; ik weet nu wat ze meemaken als ze erg in de war zijn en hoe eng dat is. Vreemd vond ik vooral de verwondering en de alertheid in dat busje. Psychiater Jules Tielens zegt: ‘als je psychotisch bent, word je als een magneet in je gedachten ergens naartoe getrokken.'”

Meer compassie

“In mijn ruim 30 jaar als hulpverlener heb ik dus meermaals aan de andere kant gestaan; daar ben ik ook open over. Als je tegen cliënten vertelt dat je dingen herkent, werken ze eerder samen. Ook snap ik nu beter hoe heftig iemands lijden kan zijn; ik heb meer compassie. Hoewel mijn verwardheid maar heel kort duurde, was dat al fors lijden; dat wil ik nooit meer meemaken. Ik kan me voorstellen dat iemand die er weken mee rondloopt, er net zo goed vanaf wil. Mijn focus is ook verschoven van behandelen naar luisteren en je in die persoon proberen te verplaatsen. En omdat het lijden 24 uur doorgaat, moet je beschikbaar zijn. Ik geloof vooral in iemands eigen verhaal; dat maakt het lijden persoonlijk. Met DSM-diagnoses heb ik niet veel; die vindt men vaak stigmatiserend. Het is ook arrogant dat we het denken te snappen uit leerboeken. Ik heb altijd geleerd: E = K x A (effect is kwaliteit maal acceptatie). Als de acceptatie nul is, is het effect ook nul. En als iets niet werkt, moet je wat anders doen. Daarom kun je maar beter zo goed mogelijk aansluiten bij de cliënt. Het mooie is wel dat cliënten steeds mondiger worden en meer zelf aangeven met wie ze willen werken.

Toen ik herstelde van de gezichtsverlamming voelde ik echt de hopeloosheid: kan ik nog wel werken? Omdat je vaak slechte informatie krijgt, snap ik nu beter dat mensen hun eigen weg willen volgen. Als hulpverlener wil ik nu laten zien dat het iedereen ineens kan overkomen. Soms ben je patiënt, soms hulpverlener, maar je bent in eerste instantie mens.”

 

header_lemon_openapp
Verhaal,

Van buiten lijk ik ongevoelig

De jaren negentig

Op de middelbare school: onbegrepen en genegeerd. En geen diploma. Ik voel mij anders dan anderen. Dat is wat ik elke dag geleerd heb op de middelbare school

Twintighonderdeneen

Aangezien ik op mijn werk totaal geen aansluiting vond bij collega’s, die het prettig vonden om langdurig over vrachtwagens te praten, ben ik fanatiek boeken gaan lezen in de pauzes. Achteraf besef ik dat ik daarmee alleen maar meer als een buitenstaander overkwam.

Van buiten lijk ik ongevoelig, maar van binnen –innerlijk dus- ben ik voor welbekenden misschien toch een gevoelsrijk persoon. Qua dier zal ik het meest gelijken op een omhoog de eigen boom in sprintend boomeekhoorntje, een egel, een schildpad of een oester: ik kruip te vaak in mijn denkbeeldige schulp. Volgens mij ken ik mij ken ik mijzelf behoorlijk goed en ben ik bedeesd, timide, schuchter, schuw, zeer bedachtzaam, de kat uit de boom kijkend, in beginsel beslist geen spraakzaam persoon en van geboorte erg gesloten. Mijn geslotenheid poog ik te veranderen. Mijzelf beschouw ik duidelijk als een denkertje in plaats van een pluk-de-dag’er. Volgens de symboliek van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika zou vast een hoge, smalle driehoek het meest op mij van toepassing zijn: ik ben een eenling, een einzelgänger of eenzelvig persoon; deels van nature, deels door omstandigheden.

 

Twintighonderdendrie

Ik ben op avontuurlijke ontdekvakantie in Wales, Cymru in het Keltisch. Een rustiek groen, heuvelachtig en mysterieus land dat vele trotse kastelen met een fier wapperende vlag met een draak erop, kent. En verder ommuurde plattelandsweggetjes en watervalletjes. Ook waggelen er puffins, oftewel papegaaiduikertjes, die grappig en vrolijk ogen. Wales als inspiratiebron. Daar te wandelen, langs de grillige, klifferige kust, dat trekt mij wel. Ook om de verlatenheid. Je krijgt echt een gevoel dat je op jezelf wordt teruggeworpen wanneer je urenlang niemand tegenkomt. En ik houd ergens van het idee dat je in Wales meestal vlakbij de zee bent. Ik krijg altijd een gevoel van enerzijds berusting en anderzijds ervaar ik actieve vrijheid als ik de zee zie. Op te een of andere manier voelt Wales ergens zoals thuis zou moeten zijn: prettig en geborgen.

Sociaal netwerk

Omdat ik als jongvolwassene van de Randstad naar Noord-Brabant verhuisd ben, woont ongeveer driekwart van mijn kennissen en vrienden –die ik bijna allemaal al tientallen jaren ken- in andere provincies. Dat vind ik jammer, ik zou graag vaker verdiepende gesprekken met hen willen voeren en gezelschapsspelletjes spelen. Al mijn welbekenden lijken een druk leven te hebben. Hierdoor ga ik meestal in mijn eentje naar een museum of naar een muziekoptreden. En dit terwijl ik zelf zelden het initiatief neem om een onbekende aan te spreken: in een pauze tijdens een muziekoptreden kijk ik
meestal maar wat –troosteloos?- om mij heen.

En ik houd ervan om in mijn eentje te wandelen, zoals in het uitgestrekte polderlandschap in Noordoost-Groningen, waar je urenlang kunt lopen zonder een mens te zien.

Ik behoor tot de mensen die als het ware twee koffers met zich mee zeulen: één koffer met zaken uit het ‘gewone’ leven en één koffer met belemmerende problemen die veelal veroorzaakt worden door hun handicap. Bij mij is mijn beperking het aangeboren autismesyndroom Asperger en ik bestempel
het zeer nadrukkelijk als: een handicap welke zich met name op het sociale vlak laat gelden. Ik bezie ons als levend in een flexibele netwerkmaatschappij.

Naast vrienden heeft men ook coalitiepartners nodig in het leven. Mensen die je zelf geschikt acht en die ten minste een deel van je kwaliteiten erkennen. De ander begrip, steun en vertrouwen gunnen. Dat is belangrijk en een wisselwerking. Helaas is het sociale netwerk van mensen met een beperking meestal relatief klein. Dit maakt het voor hen bijvoorbeeld ook lastiger om een duurzame betaalde baan die passend is te vinden. Daar is vaak maatwerk voor nodig. Maatwerk vergt inzet en tijd.

Ik wens maatschappelijk bij te dragen aan een meer inclusieve samenleving. Diversiteit levert immers zoveel meer op.

header_avocado_openapp
Verhaal,

Sinds FAMEUS lijkt er bij mij een wondertje te zijn gebeurd

Romy de Veer (32 jaar) heeft na een heftig verleden een nieuwe start gemaakt bij FAMEUS. Nu volgt ze een opleiding tot ervaringsdeskundige in de zorg.

“Ik groeide op in een stabiel gezin. Maar toen ik op mijn twaalfde mijn vader betrapte op vreemdgaan, viel het vertrouwen weg. Ook werd ik op school gepest, waardoor ik me steeds meer terugtrok. Ik deed echter ook aan paardensport, in een groep waar ik me wél thuis voelde. Ik ging veel drinken; dan durfde ik veel. Jaren van destructief gedrag volgden, waarbij ik driemaal per week uitging tot diep in de nacht. Na de mavo ging ik in Kaapstad in een team werken met paarden. Toen ik op een feest een lijntje cocaïne kreeg aangeboden, was ik meteen verslaafd. Toen dat ontdekt werd, moest ik naar huis. Mijn ouders stelde ik toen gerust door in therapie te gaan bij De Viersprong in Halsteren. Daar kreeg ik de diagnose borderline. Ik ging echter door met mijn destructieve gedrag, waarbij ik overal net het randje opzocht. Ik stond bekend als iemand met meerdere vriendjes die steeds over de schreef ging; alles om maar leuk gevonden te worden. In die tijd  kwam ik na een zelfmoordpoging op de crisisafdeling bij Vrederust (Halsteren). Mijn ouders hielden me echter de hand boven het hoofd.”

WRAP als cadeautje

“In de zomer van 2013 stortte ik in. Ik dronk, gebruikte elke dag cocaïne en had schulden. Een fijne toekomst leek ver weg en ik zag geen uitweg meer. Maar ik wilde niet echt dood. Ik wilde ‘zo’ niet meer leven; ik wilde rust en stoppen met drank en drugs. Ik verzamelde alle moed en ging naar de huisarts, die heel begripvol was. Ik zei dat ik graag wilde stoppen met drugs. Omdat ik drugs gebruikte als ik veel dronk, kreeg ik een middel waardoor je ziek wordt van alcohol. Met een praktijkondersteuner (POH) maakte ik een plan van aanpak voor de leefgebieden. Zoals wonen: ik verhuisde weer naar West-Brabant, waar mijn nieuwe huisarts en POH eenzelfde aanpak hadden. Mijn financiën waren ingewikkelder, maar ik wilde niet opnieuw opgeven.

Ik kwam in contact met Centrum FAMEUS, waar ik begon met vrijwilligerswerk (waaronder de inloop) om ervaring op te doen en te kijken of het vak bij me paste. Ook volgde ik herstelcursussen De WRAP-cursus, waarbij je kijkt wat je nodig hebt om je goed te (blijven) voelen, was echt een cadeautje: ik merkte dat medecursisten tegen dezelfde dingen aanliepen en door de kracht die ze uitstraalden, wist ik dat herstel mogelijk was. En door de liefde die ik ervoer, werd ik ook milder naar mezelf. Langzaam kreeg ik weer grip op mijn leven en meer veerkracht bij tegenslagen. Het feit dat ik aan mijn problemen werkte, gaf rust. Ik heb alle cursussen gevolgd en heb er zelf al enkele mogen geven. Zo deed ik veel ervaring op en ontwikkelde ik mezelf verder. In september 2017 mocht ik zelfs beginnen aan een hbo-opleiding ervaringsdeskundige in de zorg.”

Wondertje

Het thema ‘loslaten’ komt meermalen terug. Zo verbrak Romy het contact met een vriendin die ze al 12 jaar kende en met haar vader.

“Jarenlang deed ik alles om leuk gevonden te worden. Toen ik dat niet meer deed, werd ik krachtiger en ik dacht: ‘Dit ben ik en dit is wie ik wil zijn’. Mijn huidige partner geeft me alle ruimte om te ZIJN. Samen zijn we stapje voor stapje aan het groeien.”

Ik gebruik niet meer en heb rust gevonden. In het verleden heb ik mezelf echter door mijn grenzeloze gedrag echt voor schut gezet. Vooral een bepaalde kennis heb ik het leven zuur gemaakt. Gelukkig accepteerde ze mijn excuses en zei dat ik goed bezig ben; een bijzonder moment. Ook mijn moeder en broer herstelden de band weer – vooral toen ze zagen hoe hard ik werkte om mijn leven weer op de rit te krijgen. Toen mijn moeder in 2016 hertrouwde, werd ik zelfs gevraagd als getuige. Ik ben nu een heel ander mens en ben best gelukkig. Misschien moesten bepaalde dingen in mijn leven wel zo liepen, daardoor doe ik nu wat ik het liefste doe. Hoewel mijn moeder het nu financieel veel minder heeft, is ze gelukkig; dat is veel meer waard.”

“Sinds FAMEUS lijkt er bij mij een wondertje te zijn gebeurd. Hier waren mensen die mij begrepen; ik hoorde erbij. Doodeng, maar daardoor sta ik waar ik nu sta. Qua zelfvertrouwen is nog een lange weg te gaan, maar ik zit op de goede weg. In het eerste jaar ben ik gigantisch gegroeid. Ook had ik een 8,7 voor mijn stage; daar ben ik erg trots op. Vaak denk ik nu: ik kán dit – en het voelt goed. Na FAMEUS ga ik stage lopen bij Centrum Senioren. Het doet pijn dat ik FAMEUS moet loslaten, maar het is ook goed om ergens anders te kijken.”

“Ik zet mijn herstelverhaal in om anderen te empoweren. Ze herkennen zich in mijn verhaal en dit geeft hun kracht. Ik geloof in zelfhulp en help anderen graag bij hun eigen herstel. Kijken naar waar iemands kracht ligt en die uitvergroten. Herstellen doe je zelf, maar je hoeft het niet alleen te doen.”

header_salmon_openapp
Verhaal,

Op 7 april 2010 veranderde mijn leven helemaal

Op 7 april 2010 veranderde mijn leven helemaal. En niet alleen het mijne, ook dat van mijn omgeving, mijn man, mijn dochter en mijn zoon. Ik werd getroffen door een CVA. Herseninfarct.

Op het moment dat het gebeurde, was ik aan het werk. Ik had het druk met de zorg voor mijn gezin, mijn ouders waarvan ik mantelzorger was, mijn sociale leven en mijn bovengenoemd werk waar ik erg blij mee was. Door dat werk hoorde ik ergens bij, ik maakte deel uit van een groter geheel. Men was blij met mij.

Na april 2010 werd dat helemaal anders. Ik verloor mijn gezondheid, mijn baan, wat vrienden en mijn sociale leven. Ik hoorde, behalve bij mijn gezin, waar ik ook amper functioneerde, nergens meer bij. Bovendien kon ik niet dealen met de veranderingen. Mijn hoofd deed raar, ik kon niet meer tegen drukte, kon niet meer multitasken en ik schaamde me dood dat ik weer moest beginnen met een legpuzzel van Disney. Van 24 stukjes notabene. En daar was ik ruim een kwartier mee zoet. Daarna werd ik ongeduldig en vlogen de puzzelstukjes door de kamer. Ik werd hoe langer hoe eenzamer. Deels door de onmacht dat ik iets niet meer kon, maar ook zeker door de schaamte hierover. Alleen met mijn worsteling, mijn verdriet, mijn rouw.

Doordat er aan de buitenkant niets te zien was, was het begrip er mondjesmaat en ook dat ebde naar verloop van tijd wat weg. ‘Het had nu wel lang genoeg geduurd’.

Mijn ergotherapeute had een gouden greep. Ze adviseerde me om mijn leven te gaan beschrijven in de vorm van blogs. Dat was nogal wat. De reden van haar advies was dat alles wat ik schreef, uit mijn hoofd verdween. Ik kon dat dan loslaten.

Later, toen mijn boek ‘Prettig verstoord brein’ een feit werd, besefte ik ook dat door dit boek het begrip weer wat groter werd. Toen mensen het gingen lezen, kregen ze in de gaten dat hersenletsel nooit meer overgaat. Het blijft een zoektocht naar balans tussen willen en kunnen.

Dit boek zorgde ervoor dat ik er weer een beetje bij hoorde.

Toch miste ik nog wat. Ik zat de hele dag thuis en de muren kwamen op me af. Betaald werk zat er helaas niet meer in dus ik moest mijn toevlucht zoeken in vrijwilligerswerk. Dat was de tweede gouden greep na mijn CVA.

Ik mocht kiezen wat ik leuk vond. Mijn positieve instelling zorgde ervoor dat ik graag mensen verder wilde helpen die in hetzelfde schuitje zaten als ik. Ik had immers toch hersenletsel dus kon er maar beter iets nuttigs mee doen.

Daardoor werd mijn wereldje een flink stuk groter. Ik ging vrijwilligerswerk doen bij Zorgbelang Brabant|Zeeland, waar ik ervaringsdeskundige was. Ik zette mijn ervaringen in, in diverse projecten, waaronder gastlessen en intervisiebijeenkomsten. IK HOORDE WEER ERGENS BIJ.

Naast dit vrijwilligersbaantje, is er nog een baantje op mijn pad gekomen. Ervaringsdeskundig adviseur bij Hersenletsel-uitleg. Ik doe mede het beheer van een aantal facebookgroepen, adviseer mijn ‘baas’ waar nodig, blus brandjes en plak pleisters waar het nodig is. Ik heb heel erg veel contact met mensen met NAH. Sommige contacten zijn uitgegroeid tot fijne vriendschappen. IK HOORDE WEER ERGENS BIJ.

U ziet wel, beide baantjes hebben met mijn hersenletsel te maken. Daar ligt mijn hart, mijn passie. Ik ben een mensenmens geworden. Betrokken bij de medemens met hersenletsel. Omdat ik weet hoe eenzaam zo’n proces is. Ook al zijn er mensen om je heen. Eenzaam maar niet alleen. Levend rouwen.

Nu, na ruim 8 jaar, heb ik een beetje mijn draai gevonden. Mijn gezondheid is stabiel, mijn sociale leven staat nog steeds op een laag pitje, maar de mensen die zijn gebleven hebben begrip voor de situatie. De keren dat ik dan wel ergens heen kan/ga, kan ik ook genieten. Dat ik daarna daarvoor moet boeten in de vorm van ernstige vermoeidheid, is dan niet erg.

Mensen zijn blij met me, ik hoor weer ergens bij. Soms ben ik nog steeds eenzaam, maar dan is er altijd wel iemand die ik kan bellen om me weer in de steigers te zetten. En dat heb ik ook moeten leren. Accepteren is moeilijker dan vechten.

Ik kom mijn dagen door op een manier die bij me past. En dat is een groot goed.
Ik zou bijna zeggen, het hoogst haalbare.

Ik gun dat iedereen.
Laten we eenieder binnensluiten in plaats van buitensluiten.

Arnie Craninckx